<Terug naar coverstory]  ['De Kolom' index]  [Volgende>

De Kolom logo spacer
spacer [Klik hier voor gewone-versie
spacer
spacer 29:  Hans
31-10-2005
spacer spacer

Verwerkingsproces Arbeidsverleden

(Vervolg van pagina 1)

Terugblik als therapie voor de toekomst...

De pré-historie. Mijn leven begon met kikkers vangen, eieren zoeken, vissen vangen, koeienvlaaien omkeren op zoek naar visaas, maden van strontvliegen of wormen die je zo heerlijk aan de haak kon rijgen. Heerlijk, dat vonden de vissen, ik ving ze bij de vleet. Soms zo groot dat het een gevecht werd tussen hij (zij) op de kant of samen in de sloot. Mijn beloning, vis bakken en eten bij buurvrouw Verdoold, waarbij de hele buurt meesmulde. Een mooi voorval, huilend deed ze soms haar werk, had ze Radio Luxemburg aan met smartlappen van Johnny Hoes en de Zangeres Zonder Naam. Haar tranen gaven extra smaak aan het gebakken visje (visje moet zwemmen). Andere bezigheid vlinders vangen en met ether opzetten. De polder in om rupsen te vangen, met daarbij horend blad in jampotjes in leven houden, laten verpoppen en regelmatig controleren welk soort rups bij een bepaalde vlinder hoorde. De namen leerde ik uit een van mijn eerste verdiende loon gekocht vlinderboek. Dat eerste loon verdiende ik tijdens de hooibouw, Koos Verburg, onze huisbaas aan de Benedenkerkseweg 153 Stolwijk. Zijn weilanden waren mijn territorium. Een voorval uit die tijd. De sloten zaten toen nog vol kikkers, grote vette groene. Een mede-hooibouwer wist een manier om kikkers snel te laten groeien. Hij pakte een strootje stopte die in het kikkergat en blies het op als een ballon. Onder kermende noodkreten van het slachtoffer. Die noodkreten zal ik nooit vergeten. Een plotselinge woede-aanval overviel me en het had weinig gescheeld of ik had een moord op mijn geweten. Ze hebben ons uit elkaar moeten trekken. Dit was tevens een keerpunt en het begin van een leven in het teken van aandacht en bescherming van de natuur. Inmiddels had ik m'n vlindercollectie en vogeleierenverzameling in de brandnetels gegooid en met de voeten vertrapt. Pakweg periode tussen 10 en 15 jaar.

Tuinbouwschool Gouda...

Een vierjaren opleiding. Eerste jaar 2 en een halve dag school waaronder zaterdagmorgen. De volgende jaren 1 dag school, rest praktijk. Eerste baantjes in de kassen, tomaten en komkommers plukken. Ik heb er een komkommer trauma aan overgehouden. Eerste echte baan: Tuinaanleg en -onderhoud Honkoop in Stolwijkersluis. Het bedrijf lag naast het Van Iterson ziekenhuis in Gouda. Ik liep met een handkar door Gouda, met tuinafval en gereedschap. Ik herinner me Okkerse als een fijne collega die me de kneepjes van het vak leerde. Mooi werk, creatief, toch niet mijn toekomstdroom. Groententeelt was evenmin mijn toekomst. Ik stond voor de keuze: Boskoop of een op 't eerste gezicht aantrekkelijk aanbod. Mijn hobby, wilde planten, had inmiddels extreme vormen aangenomen. Rond het huis aan de Beneden- kerkseweg had zich een botanische tuin gevormd, onderverdeeld in droge, zonnige tuin, schaduwtuin, moerastuin, waarvoor ik zelfs een deel van de sloot had gedempt. Ik fietste het land door met een stuur vol zakjes met uitgestoken planten. Ik kwam tot zo'n vierhonderd soorten. Mijn hobby werd bekend bij de Universiteit in Rotterdam, daar zocht men een Botanische tuinbeheerder, die tevens een opleiding kon volgen. Mijn keuze werd het landelijke Boskoop. Momenten van spijt vervielen toen na 10 jaar de Botanische tuin werd gesloten en de beheerder op straat stond. Mijn keuze leek voorbestemd en juist, Boskoop.

Vuurdoorns en Berberissen...

Probeer het in Boskoop, zei m'n moeder, ze had er een nicht die was met Cornelis Ramp getrouwd, misschien weet die iets. Met pa dus op de fiets daarheen. Ramp wist iets, hij had twee neven met de tuin naast zijn deur. Twee Rampen en die hadden werk voor me, onkruid wieden tussen vuurdoorns en berberissen (niet leuk) en in de winter stek maken. Er was een goede (lollige) en een slechte (saaie) broer. Bij de goede mocht ik z'n privé-tuin bijhouden, bij de saaie thuis, op vrijdag, stofzuigen. Zijn vrouw was er te lui voor. Twee jaar hield ik het vol. Het was een Ramp. Met jaloezie keek ik naar de kwekerij ernaast. Daar waren ook twee broers en een jongedame die me aanhoudend lonkte en liet merken dat het daar veel leuker was. De Rampen waren erg christelijk, als er een vloek op de radio viel (in hoorspelen) ging die uit. Kwam er een handelaar bomen kopen, er vloekte er een als een ketenlapper, daarover geen woord. Toen er op een spannend moment in een hoorspel een vloek viel, stelde ik de vraag waarom de bomenkoper dat wel mocht en de hoorspelfigurant niet. Dat had ik niet mogen zeggen... Niet op staande voet, ik had al eerder m'n vertrek aangekondigd, naar de buurman.

Werken en dollen...

Tuin af, volgende tuin op, Kwekerij Gebroeders van der Hoogen. Fijn bedrijf, goede leerschool waar ik veel heb geleerd. Ook tijd om te dollen, met de bazen en de lekker pittige rooie meid van ongeveer mijn leeftijd, Hennie, een dochter van de nicht van mijn moeder waardoor ik in Boskoop terecht ben gekomen. Een Ramp, maar een van het goede soort (ik zie haar nog weleens wandelen met haar hondje). In de zomer dollen, natspuiten en elkaar de sloot inwerken, in de winter tijd om te schaatsen. Mooie tijd. Oktober 1962, ik was 19 jaar, ik moest in dienst en maakte daar een van de strengste winters van de vorige eeuw mee. Op bivak (tentje op de Veluwe) bij 15 graden vorst en een halve meter sneeuw. De winter van '63/ '64 was opnieuw lang en koud. Ik zou in mei '64 uit dienst komen, maar kon landbouwverlof regelen en dus tijdelijk terug op m'n oude werkplek, in't voorjaar zo'n zes weken. Inmiddels wilde ik mijn loon bij m'n leeftijd aanpassen, dat kon niet bij een klein bedrijf, dus in goede verstandhouding iets anders gezocht...en gevonden.

Een miljoen gulden...

Er stond en advertentie in de krant. Nieuw bedrijf zoekt personeel, goede beloning. Arie Wilschut, een wat labiele jongeman had een lening aangevraagd bij de bank van een miljoen. Een stuk weiland van enkele hectaren werd geploegd en om dat vol te krijgen moesten er miljoenen stekken worden gemaakt. Wij reageerden (Hennie Ramp en ik) en werden, met nog een paar anderen aangenomen. Van de Hoogen zat opeens zonder personeel. Voorjaar 1964, ons werk startte, de baas zou tijdig voor stek zorgen, deed dat ook, maar had geen idee van onze arbeidslust. Wij het stek, hij naar de kroeg, het werk was vaak al om tien uur 's morgens klaar, rest van de dag uit de wind in de zon. We zagen de bui hangen, faillisement volgde, ik kon m'n werk tijdelijk voortzetten bij de Gebroeders Wilschut, zo'n drie maanden door de zomer heen. Hennie uit beeld (ze had een vriend).

Klassieke opleiding...

Baas nummer zes (1964/'65) Wim Streng. Goed bedrijf, twee fijne collega's. De een woonde in Hazerswoude (Jaap van de Have). Ik had een radio, hij hield van klassiek. Er was in die tijd een programma waarin muziekstukken alleen werden afgekondigd. Het werd dus een 'spelletje' om de componist te raden. Zo leerde ik het verschil tussen Mozart, Haydn, Handel, Bach, Vivaldi en meer. Ik ben de man er nog steeds dankbaar voor. De andere collega, Sjaak van Zanten, zorgde ervoor dat ik niet dagelijks van Boskoop naar Stolwijk hoefde te fietsen. Bij hem thuis (Waddinxveen) was een kamer vrij. Toen beide collega's vertrokken, had ik het ook gezien. De buurman was Johan Stolwijk en ik had gezien dat het daar een gezellig werkteam was. Ik kon daar veel overwerken, sparen voor ons huis in aanbouw, sparen voor de trouwdag. Dat kon, ik had een kosthuis in de buurt. Het is het waard om daar een keer een aparte column van te maken (moet in het vakje kosthuizen nog in volgorde worden gezet op mijn harde schijf). Na 2 jaar Streng werd het 3 jaar Johan Stolwijk & Zonen.

Help ik verzuip...

Ik werkte nog bij Streng, at daar in de middagpauze een boterham. Plotseling hoorden we een kreet "help, ik verzuip". Wij naar buiten, zagen een schuit met stenen Clematispotten door te hoge snelheid water maken en heel langzaam ten onder gaan. Piet van den Nieuwendijk (jarenlang voorzitter van Floreant Boskoop) stond als genageld achter op de punt. Hij sprong niet, kon niet zwemmen, je zag hem langzaam aan met de 'Titanic' naar de bodem gaan. Stokstijf vastgenageld, hoofd net boven, boot had de grond bereikt, we moesten hem er met een toegeworpen ladder vanaf halen. Stolwijk is het plezierigste bedrijf waar ik ooit werkte. Ik leerde daar omgaan met een buitenboordmotor, maar dat wist ik op dat moment nog niet. Degene die mij het wilde leren, een zenuwenlijer, gaf zoveel gecompliceerde aanwijzingen, dat van de ene kant op de andere kwam. Einde Johan Stolwijk kwam voor mij in zicht, omdat ik elders 25 gulden per week meer kon verdienen. Gebroeders Kompeer, saaie mensen, wel een chef waarmee ik het goed kon vinden. Mijn eerste klus, of ik even een boot met buiten- boordmotor achteraan de kwekerij naar voren wilde halen. Natuurlijk, ik had immers varen geleerd. De schrik sloeg me om het lijf toen ik zag dat de boot volgeladen was met stenen Clematispotten. Met lood in de schoenen (ik zag de boot al verder zakken) startte ik de motor en in slakkengang ging het naar voren. In plaats van een bemoedigend woord vond de baas dat ik er nogal lang over had gedaan. De tuin grensde aan de wetering, ik heb er veel gezwommen.

De tel kwijt...

Gebroeders Kompeer duurde maar een jaar, geen leuk bedrijf. Gebroeders Guldenmond zocht personeel, ik solliciteerde en werd aangenomen. Komisch was hier de dagelijkse ceremonie. Half acht, chef en personeel stonden in een kring rond de baas. De baas legde de werkzaamheden uit, met de chef als aanspreekpunt. Wim, zeg jij tegen Hans, Jan en Kees (enzovoort) dat ze dit of dat moeten doen (taken werden bij naam genoemd). De chef gaf dit (met verborgen grijns) letterlijk aan ons door. De ceremonie duurde meestal een kwartier. Baas was zwaar christelijk, vloeken en moppen mochten niet. Er was een soort mobilofoon-verbinding tussen loods en kantoor, om orders door te geven. Die verbinding bleef soms lange tijd open staan, de baas wist niet dat we hem hoorden zuchten. We zagen aan het vingertje van de chef dat we onze moppen even moesten onderbreken. Grote lol natuurlijk. Na een jaar volgde het begin van nog een jaar, tot aan mijn ontslag op staande voet. Dat kwam zo. De baas droeg bomen naar de boot en ik moest ze stapelen en tellen. En hij maar zeuren hoe ik ze neer moest leggen (alsof ik het niet wist, ik had er al honderden geladen). Opeens was ik het zat en brulde, verpakt in een vloek, nou ben ik gvd de tel kwijt. Dat mocht niet, ik moest mee naar kantoor, kreeg m'n ontslagbrief en kon vertrekken. Een poging om met excuus de andere dag terug te mogen komen lukte niet, vergevingsgezindheid kende hij als godvruchtig man niet. Dag gebroeders Guldenmond.

Over de brug...

Tot nu toe bevonden al m'n werkgevers zich in Boskoop oost. Na mijn mislukte verzoenings- poging fietste ik de brug over en nam me voor de eerste de beste kwekerij te nemen en net zolang te zoeken tot ik werk had. Dat gezegde klopte, meteen raak bij het eerste bedrijf over de brug, D.A. Koster. Ik vroeg naar de baas, die sprak ik dus aan en liet me met werkkleding en beide handen zien dat ik werk zocht met liefst onmiddelijke ingang.Er werd even met de chef overlegd en ik kon meteen beginnen, ik had nog geen uur zonder werk gezeten. Kwam goed uit, wij woonden inmiddels in Boskoop west, dat scheelde een stuk fietsen. Goed bedrijf, prettige sfeer, veel ouderen, gepensioneerden zelf. Het was een plek voor oude meubelstukken en als de baas er op 1-9-1975 niet mee was gestopt was ik misschien daar ook blijven hangen. Een van mijn vaste taken werd graskantenmaaien met de Flymo luchtkussen grasmaaier. Een moment vergeet ik niet, ik maaide een keer pardoes door een wespennest. Dat mocht niet van de koningin en een heel leger rukte uit. Ik heb nog nooit zo hard gelopen. Koster woonde in een herenhuis met een grote tuin. Mijn vaste taak was om die tuin wekelijks te onderhouden, ook de kantoortuin. Tijd speelde geen rol, netheid wel, ik haalde wekelijks de uitgebloeide bloemen uit de afrikanen, dahlia's enzovoort. De tuin bloeide tot aan de vorst en zelden heb ik zoveel complimenten voor mijn werk gehad. Wekelijks op vrijdag een vaste ceremonie. Er bestond toen nog weekloon, je kreeg het in bruine loonzakjes met je naam erop. Kantoor was aan de ene kant van de Zijde, bedrijf aan de overkant. De baas stak wekelijks om vier uur, met een stapel loonzakjes opmerkelijk zichtbaar in de hand, de weg over. Er waren zo'n 20 personeelsleden, voor ieder een woord van waardering voor de inzet in die week. Dat kon toen nog, veilig oversteken met geld, er waren nog geen polen...Koster was voor zichzelf een zuinig man. Het gerucht ging dat hij de zeep niet uit z'n scheerkwast spoelde en daar dagenlang mee kon doen. Ik heb het nooit durven vragen. Laatste jaar een mooie afbouw. Personeel werd voor de keuze gesteld om te blijven tot 1-9-'75 of per contractjaar (1 april) ander werk te zoeken. De blijvers werden beloond met voor elk gewerkt jaar een weekloon extra, tot een maximum van vijftien. Iedereen bleef de warme droge zomer en er was zo weinig werk dat de chef ons soms al met de middag liet gaan, ga maar zwemmen en dat deed ik dan ook. Rosbergen, een van de grootste bedrijven, nam het meeste personeel over. Ik niet, bedrijf sprak me niet aan. Slappe tijd, voor het eerst zat ik een maand zonder werk. Totdat Jan Tijsterman voor het handelseizoen een kracht zocht.

Pas op voor de eenden...

Jan Tijsterman, klein bedrijf, man met een hart van goud. Hij had de bijnaam "Burgemeester van Rijneveld". De man liep over van liefdadigheid. Gaf kapitalen uit aan eendenvoer. Pas op voor de eenden, denk ook aan jezelf, was een vaste uitspraak als je het werk verliet. Was er iemand jarig trakteerde hij op een borrel. Je kreeg die 's morgens, want stel dat je aan het eind van de middag dronken het pad af zou rijden. Zo zat je soms om tien uur al aan de Jenever. Bezorgdheid, ook voor de bomen, bij het rooien altijd een gieter bij de hand om wortels nat te houden en bij onderbreking jassen en zeilen over de gerooide bomen. Het was de koudste oktober ooit, er viel sneeuw en Janny lag op dat moment in het ziekenhuis, Marcel was in de maak en dat liep niet helemaal naar wens. 's Avonds met de brommer naar Alphen.

Borrelpraatjes in de Beurshal...

Bij Jan Tijsterman was ik voor tijdelijk aangenomen. Half november was de paktijd over. Hij zat er zo mee dat hij me moest laten gaan (in de periode november/ maart was er weinig werk) dat daar tijdens borrel-uurtjes in Hotel Florida (waar directeuren elkaar tot steun waren en de roddels over het personeel werden uitgewisseld) over werk gesproken. "Ik heb een goeie jongen, maar daar heb ik geen werk meer voor", zo ongeveer moet er over mij gepraat zijn. De oude Den Hengst (vader van Lex Harding, bekend DJ) directeur van Felix & Dijkhuis, kon per 1-1-1976 wel iemand gebruiken. Dat werd dus baas nummer 12. Geen leuke sfeer, weinig collegialiteit, veel ellebogenwerk. Eerste maanden door winterweer weinig werk. Niets doen mocht niet. Stokken sorteren op een koude zolder, dagen achtereen. Was het klaar gooide je de rotzooi weer door elkaar. Gevolg, winter voorbij, werk nog niet klaar. Bomenorders moesten tijdens de drukke periode ingepakt worden. Je deed dat samen. Sommige collega's keken alvast naar de volgende orders. Was die klus te zwaar, bijvoorbeeld stekelbomen, ging zo'n team extra langzaam verder zodat anderen die order te verwerken kregen. In de zomer vond je het beste gereedschap terug in de kasten van de beroepsdrukkers. Na een jaar blij dat ik weg kon.

Verslaafde kettingroker...

Volgende bedrijf W.de Bruin, mijn afdeling werd de potcultuur. Veel binnenwerk, mooi in de winter, niet in de zomer. Buurman van D.A. Koster, ik kende het bedrijf al. Een van de mensen had toen al geprobeerd mij over te halen om daar te komen werken. Na een omweg kwam het ervan. Mijn collega, Kees Ramp (zoon van de nicht van mijn moeder) was de fijnste collega ooit. We hebben heel wat gelachen en hadden zelfstandig ons werk. Hij had een groot probleem, hij was een kettingroker er als hij daaraan niet toegaf begon hij te trillen. Zijn kinderen smeekten hem te stoppen, hielden spreekbeurten op school over verslaving, hij huilde als hij het me vertelde, maar hij kon het niet. Hij kreeg longkanker en je zag hem wegteren. Ik heb er bijna vijf jaar gewerkt. In die tijd ging ik tussen de middag thuis warm eten. Dat werkte altijd slaapverwekkend, zo'n uurtje na de maaltijd. In de zomer veel bindwerk, klimop en clematis. Twijgje bij de stok binden, met een bindknijptang. Zittend op een bankje, warm, eentonig werk, vier knippen per stok, volgende stok en zo duizenden na duizenden. Dat knippen hoorde je op afstand, je zat zelf ver- scholen. De chef vertrouwde mijn prestaties niet stond op afstand te luisteren, telde de knippen per minuut en toen dat onvoldoende was gaf hij een grote brul, ik was wakker. Dat herhaalde zich een paar maal. Ik kon daarna een andere baas zoeken. Dat werd, na een paar korte werkloze perioden een tijdelijke baan bij F.J. Grootendorst, een van Boskoops grootste bedrijven toendertijd. Bijna was ik er voor vast aangenomen, ik bleef het langst van de losse krachten, gunstig dus. Het was inmiddels een slappe tijd om vast werk te vinden, de tijd om van de ene naar de volgende tuin over te stappen was voorbij. Weer een paar maanden zonder vast werk, dat kwam voor het blad (Country Gazette) in de groeifase wel goed uit. De vrije tijd werd dankbaar benut.

Goede neus voorkomt ramp...

Begin 1983, tijd voor een vaste baan, die vond ik bij Jan Willem Wezelenburg in Hazerswoude. Met positieve referenties kwam ik op dit 'first class' exporthandelsbedrijf terecht. Een modelbedrijf waar je het vak echt kon leren. De chef leek wel een docent, dingen die je al twintig jaar deed, werden tot in den treure uitgelegd. Ik leerde er vrachtwagens tot de nok toe vol laden. De baas zat veel in Zweden, zijn vrouw op kantoor. Zij was 'de baas' achter de man, kwam vaak op de minuut af het personeelslokaal binnen, kijkend op haar horloge. Maakte je uit eigen wil een klus af dan werd dat niet opgemerkt. Fijn werkteam (collegiaal). Met de chef kon ik over muziek praten, hij hield van de Dubliners. De oude Wezelenburg (vader van de baas) kwam meestal een paar keer per week controleren of er hard genoeg en goed gewerkt werd. Hij kwam altijd geruisloos het pad op fietsen. Afspraak was dat degene die hem het eerst zag een liedje ging fluiten. Het personeel stond dus in z'n achting hoog aangeschreven. Hij had zo z'n principes. Snoeien doe je gewoonlijk met een heggenschaar. Dat mocht niet, je moest takje voor takje met een scherp snoeimes korten. Maar dat moest wel vlug. Werd je betrapt met een heggenschaar dan was de wereld te klein. Mij had hij nooit betrapt, ik was een vakman in zijn ogen want ik had altijd een mes in de hand als hij onverwacht bij me stond. En ik was nog snel ook, vond hij. Gelukkig heeft hij nooit per ongeluk op de verborgen heggenschaar getrapt. Eens heb ik het bedrijf (en mijzelf wellicht) voor een ramp behoed. Tijdens het schoffelen rook ik een sterke gaslucht, zag bij toeval waar de gasborrels vandaan kwamen, sloeg groot alarm, waarna de hoofdgasleiding met spoed werd afgesloten. Weer een voordeel van het niet roken...

Ruim negen jaar bleef ik bij Wezelenburg, daarmee mijn langstdurende werkcontract in de wacht gesleept. De druk van Country Gazette t.o.v. het werk werd steeds groter. Ik maakte mijn wens, vier dagen werken, kenbaar. Die vraag viel niet goed, ik kon kiezen, vijf dagen werken of de biezen pakken. Ik liet weten op zoek te gaan naar een baan voor vier dagen.

Een kruiwagen...

Soms denk ik dat mijn leven voorbestemd is, dat beslissingen op het juiste moment vallen. Misschien is dat ook zo en hoort dat bij de evolutie. De dag dat ik kenbaar maakte naar iets anders uit te gaan zien stond er een advertentie in de Boskoopse Krant: Middelbare Tuinbouwschool zoekt medewerker schooltuin voor vier dagen per week. Aanmeldingen bij directeur A. Blok. Dat was een vroegere buurman, Aad Blok, woonde twee huizen verder in hetzelfde huizenblok. Had zich van gymleraar opgewerkt tot directeur en bij die status paste een duurder huis. Dat was dus een mooie kruiwagen en na een maand opzegtermijn bij Wezelenburg kon ik per 1 mei 1992 beginnen. Dit bleek een goede beslissing. Andere werkdruk,minder prestatiedrang, voorlichtend en educatief. Ik had het gevoel dat ik dit werk al dertig jaar eerder had willen vinden. Maar dan had ik de vakbekwame werk ervaring van de boomkwekerij gemist. Wederom een teken van een voorbestemde levensloop.

Middelbaar mist grote broer...

Drie jaar duurde mijn baan bij het MBO. In die tijd veranderde er veel. Eerst twee scholen in een complex. Larenstein, de hogere tuinbouwschool (de 'geiten') vertrok naar Velp. De MBO miste zijn grote broer en kon het als kleine zelfstandige amper redden. Toen kwam de tijd van de schoolcombinaties. MBO Boskoop werd aan Gouda gekoppeld en werd AOC (Agrarisch Onderwijs College). De sfeer werd er door dreigende overplaatsing niet beter op. Intussen was er een tuinmedewerker op de Lagere Tuinbouwschool (De Groene Zijde) die het daar niet zag zitten. Hij kwam naar het MBO en verhuisde mee naar Gouda. Ik had te kennen gegeven niets voor Gouda te voelen en zo kwam de kans voor de ruil. Ik moest wel alle negatieve verhalen verwerken van mijn collega, maar ik had inmiddels gemerkt dat hijzelf 'de kwade peer' was. De tuinbouwschool werd inmiddels AOC Groen College -vbo- . Na enkele jaren onderdeel van de Wellant scholengroep (23 vestigingen in west-Nederland). Mijn baan werd van Tuinmedewerker opgewaardeerd tot Schooltuin- beheerder, tevens op orde houden van het groen rond de school. Tot mijn taak ook opvang van 'moeilijk hanteerbare' leerlingen en opvang van groepen bij ziekte of door cursussen afwezige leraren. Mijn werk kon ik geheel zelfstandig uitvoeren, teeltplan naar eigen inzicht uitvoeren. Ik kon het als nooit tevoren combineren met mijn liefde voor de natuur. Nooit eerder had ik zoveel waardering voor mijn werk, gemotiveerd als nooit tevoren. Goed lerarenteam, fijne jaarlijkse uitjes. Omgaan met leerlingen verliep soepel. Een mooi voorval. Een geschorste leerling moest drie dagen voor herkansing in de tuin werken. Het is altijd mijn gewoonte naar de oorzaak, de aanleiding te vragen. Je ontlokt daarmee vaak openhartige gesprekken. Meestal relatieproblemen thuis, of drugs. Na drie dagen werken en praten gaf de leerling me spontaan een hand en bedankte voor de fijne samenwerking wat hem heel goed had gedaan. Het waren juist de moeilijkste (oud)leerlingen die onlangs op de reünie (50 jaar Tuinbouwschool) aanwezig waren. Er was altijd meer werk dan in vier dagen paste, maar ik kon het in eigen tempo invullen, soms gebruikmakend van hulp van leerlingen. Ik had dit niet willen missen!

Rijk werkzaam leven...

Ik kan terugzien op een rijk werkzaam leven, waarbij tegenzin zeldzaam was en sleur nauwelijks een kans kreeg. Mijn werkzaamheden staan vanaf 1959 geregistreerd. Dat zijn 46 werkzame jaren. Tel daarbij 34 jaar Country Gazette (eigenlijk een fulltime baan). Dat zijn 80 jaren van steun aan onze economie. Aan mij ligt het niet dat het zo'n slappe hap is met dit watjes-kabinet. Het schrijven van dit verhaal was voor mij een juiste verwerkingstherapie. Met grote zorgvuldig- heid kies ik voor de laatste werkdag. Daarna hoop ik met veel werk en bezigheden, zonder geraniums voor het raam, mijn tijd te kunnen vullen. In goede gezondheid samen als grootste wens.

Mijn volgende column zal waarschijnlijk gaan over vrijetijdsinvulling van een VUTTER.